Tijger Theo
- Steven Desanghere

- 16 mei
- 2 minuten om te lezen
Toen ik vorige week door de nachtelijke straten van onze hoofdstad wandelde, passeerde ik een beschonken man, kreunend leunend tegen een bloembak. Ik was verzonken in mijn eigen meanderende gedachten, en het was pas enkele straten verder dat het mij daagde, dat ik wellicht onze eerbare minister van Landsverdediging had gekruist. Een eerbaar zicht was het eigenlijk niet, maar staren wij ons de dag van vandaag niet iets teveel blind op présence?
Eventjes aarzelde ik om op mijn stappen terug te keren en het arme heerschap een broederlijke arm aan te bieden, of het nu een staatsman was, dan wel een verzopen schooier. We blijven tenslotte allemaal mensen onder elkaar.
Ik keerde evenwel niet terug, en word sindsdien geplaagd door een gierende onwetendheid over de ware identiteit van het ongelukkig hoopje mens dat ik ben tegengekomen.
En deze keer neem ik Theo wél mee in mijn kronkelige gedachtenparcours. Want of ik hem nu écht tegenkwam of niet, ik loop intussen over van medeleven voor deze arme, goedmenende man. En ik tracht even in zijn hoofd en zijn hart te kruipen, en vraag me af onder wat voor lijden onze excellentie zo gebukt gaat, waardoor ie geregeld het nieuws haalt met zijn alcoholische uitspattingen in de straten van Brussel.
Ik channel even zijn koppige kop, zijn ranke lijf, en zijn turende ogen, steeds op zoek naar gevaar, en naar jong en gewillig kanonnenvlees om ons allen hiervan te behoeden. Ik voel zijn grote hart, dat ons met alle macht wil beschermen tegen dreunende drones, tegen explosieve extremisten, en tegen palaberende pacifisten. Ik kruip even in zijn brede torso, stralend van liefde en mededogen voor de allerkleinsten en zwaksten onder ons. Ik bezoek in gedachten zijn broeierige geest, steeds nieuwe allianties smedend met de meest duurzame wapenbedrijven, en onuitputtelijk nieuwe navo-strategieën en extra oorlogsbelastingen uitdokterend.
Mijn lijf begint te schokken en te wenen, want ik kom nu in contact met zijn diepe eenzaamheid. De geest van Theo, die even doorheen mijn eigen lijf loopt, voelt zich diep onbegrepen, en kruipt iedere avond huilend in bed. Hoe kan iemand die het zo goed meent, zo’n stortvloed aan leugens en verdachtmakingen vanuit de pers en het gepeupel op sociale media blijven slikken?
Hoe doé je dat toch, Theo, hoe hou je het vol, ook al ben je een man van staal? Mocht ik maar tien procent van jouw moed hebben, ik hing al van ’s morgens vroeg aan de fles. Gewoon om de dag door te kunnen komen, en al die tegenwind te trotseren.
En bij deze neem ik me voor om vanaf nu minstens twee keer per week in de buurt van de nachtelijke Wetstraat rond te slenteren, in de stille hoop hem uiteindelijk eens tegen het lijf te lopen, en halt te houden. Niet om hem luidkeels te bewierroken, maar om hem simpelweg tot steun te zijn, hem weer rechtop te laten staan, zijn natte broek wat te fatsoeneren, en hem een welkom bed voor de nacht aan te bieden. Want als iemand het verdient, dan is hij het wel.




Opmerkingen