Ruige Regen
- Steven Desanghere

- 12 apr
- 2 minuten om te lezen

“Ha, daar ben je”, zegt ze zachtjes, terwijl hij haar vervoegt onder het afdak van het koertje van De Pollepel.
Hij knort wat binnensmonds en steekt een sigaret op,
“Rustige avond,” zegt ze, en blaast een wolkje in zijn gezicht.
“Yep, we gaan het restaurant vroeg kunnen afsluiten vanavond. De Buienradar blijft regen voorspellen.”
“Zeg.” Ze kijkt hem aan met lichte pretoogjes. “Zag ik je gisteren niet voorbijstappen met Siska?” “Ik wou je eerst nog iets naroepen, maar toen bedacht ik me.”
Ze bekijkt hem aandachtig, maar zijn ogen schieten weg van haar.
Zijn ademhaling verraadt een zekere onrust. Dat had ze wel verwacht.
“Ik ben blij voor je”, fluistert ze hem toe.
Hij zucht diep, schudt met zijn schouders, en neemt vervolgens enkele diepe trekken, terwijl de regen boven en naast hen onophoudelijk en triest blijft druppelen.
“Jullie zien elkaar nu toch al….wat is het….vier maand?”
Hij weet met zijn houding geen blijf en blijft gefixeerd de volledige omtrek van het afdak afgaan met zijn ogen.
“Bwah….’t Is niet echt een relatie hoor, eerder een situationship, zeg maar. Niks speciaals. ’t Is nog geen tijd voor een volgende stap.”
“Nog geen tijd voor Siska, of voor jou?” Ze is vastbesloten dit onderwerp nog voor de duur van één extra sigaret vast te houden.
“Aaargh!” Hij roept het uit. “Godverdomme, zeg! Denk je dat het gemakkelijk is voor mij? Na al wat wij hier samen hebben meegemaakt?” Zijn ogen priemen zich nu vast op haar gezicht, en ze schieten bijna vuur.
“Maar, dat is drie jaar geleden”, fluistert ze aarzelend. Zo’n felle reactie had ze nu ook weer niet verwacht van hem.
“En dàn?”. Zijn verontwaardiging lijkt nog crescendo te gaan. “Jij was verdomme de vrouw van mijn leven. Ik droomde al van een huis samen, van een gezin! Tot op die verdomde nacht. Mijn hart viel in duizend stukken. En die stukken….die liggen daar nog altijd.”
Nu beseft hij dat hij zo luid roept, dat het dinerend koppeltje binnen hem misschien wel hoorde.
“Hier,” zegt ze, en biedt ‘m een tweede sigaret aan. Ook al voelt ze geen rust meer vanbinnen; ze wil het wél nog uitstralen.
“Ik ken Siska al sinds mijn twaalfde. Jullie passen écht bij elkaar, denk ik. “
De vlammende ogen van daarnet beginnen te dimmen, en worden wazig, met een hint van tegengehouden tranen.
“Ik durf het niet. Ik durf het niet,” zucht hij.
Ze knijpt in zijn arm.
“Hey,” ze wikt haar woorden. “Je kan niet blijven jammeren, je moét vooruit.” “Je weet dat ik je graag zag én zie, maar het mocht gewoon niet zijn tussen ons. Ga ervoor, alsjeblieft.”



Opmerkingen